OPZOEKEN IN HET WOORDENBOEK (2) - Taalunieversum

36 downloads 1225 Views 49KB Size Report
Het cursusmateriaal van de cursus Nederlands die je op dit moment volgt. ... Voor deze oefening gebruik je een verklarend woordenboek (Nederlands ...

OPZOEKEN IN HET WOORDENBOEK (2) In de les leer je vaak nieuwe woorden. Je docent kan je helpen, maar je kan nieuwe woorden ook in het woordenboek opzoeken. Je kan in een woordenboek wat een woord betekent maar je vindt ook andere informatie over de woorden terug.

Wat moet je doen? 1. 2. 3. 4.

Neem een woordenboek en maak de oefening op blad 2. Controleer de oefening samen met een collega. Neem een woordenboek en maak de oefening op blad 3. Controleer je antwoorden op blad 4.

Wat heb je nodig? • Een verklarend woordenboek (Nederlands – Nederlands) per persoon bv. Van Dale pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal, Van Dale basiswoordenboek Nederlands. • Het cursusmateriaal van de cursus Nederlands die je op dit moment volgt.

www.nt2-beginnersdoelen.org/doos_op_rollen/

OPZOEKEN IN HET WOORDENBOEK (2) lezen - 1.1, student

Taak – blad 2 Voor deze oefening gebruik je een verklarend woordenboek (Nederlands – Nederlands) Lees de voorbeelden en maak daarna de oefening. De zinnen in deze oefening komen uit de taken van ‘doos op rollen - profiel student’, niveau 1.1. Zoek de onderlijnde woorden op in het woordenboek. Hoe heb je de woorden gevonden? Je noteert alleen het woord zoals het in het woordenboek staat en je leest de verklaring. Heb je het juiste woord geschreven? Begrijp je het woord? Heb je alle woorden opgezocht? Vergelijk je antwoorden met die van een collega. Als jullie antwoorden niet hetzelfde zijn, zoek je de woorden samen nog eens op.

Voorbeelden:

WELK WOORD WIL JE OPZOEKEN?

HOE VIND JE HET IN JE WOORDENBOEK?

Als je je diploma secundair onderwijs niet gehaald hebt, moet je een taaltest afleggen. Neem een woordenboek.

Ö halen Ö nemen

Neem een kaartje uit de enveloppe.

Ö kaart

Kijk naar de vragen op blad 2.

Ö vraag

Welke cursus kan je combineren met je drukke agenda?

Ö druk

Kan je een beetje luider spreken, alstublieft?

Ö luid

Oefening:

WELK WOORD WIL JE OPZOEKEN?

HOE VIND JE HET IN JE WOORDENBOEK?

Je gaat naar de website.

Ö

Lees de tekst nog eens op blad 2.

Ö

Arlete komt met de fiets naar de les.

Ö

Ze heeft de hele dag gewerkt.

Ö

Ik ben maar 15 minuutjes onderweg.

Ö

Controleer je antwoorden.

Ö

Je wil informatie over de tarieven van de cursussen.

Ö

Je hebt niet alle nummers.

Ö

Ze geeft instructies.

Ö

Kijk naar de lege tabellen.

Ö

Het is een korte pauze.

Ö

Vul de juiste woorden en getallen in.

Ö

Op welke dagen heb je een halve dag les.

Ö

www.nt2-beginnersdoelen.org/doos_op_rollen/

OPZOEKEN IN HET WOORDENBOEK (2) lezen - 1.1, student

Taak – blad 3 De fiets of het fiets? 1 auto - 2 autoen of 2 auto’s? Deze informatie kan je vinden in het woordenboek. DE OF HET? In je verklarend woordenboek staat er ‘de’ of ‘het’. In sommige woordenboeken gebruikt men een andere notitie: ‘v’ Ö de ‘m’ Ö de ‘o’ Ö het 1 AUTO – 2 ...? In sommige verklarende woordenboeken staat het meervoud (=pluralis) volledig geschreven, bv. fiets – fietsen. In andere woordenboeken staat alleen het laatste deel van het meervoud geschreven, bv. fiets – (-en). Let op voor de correcte spelling van de woorden! Zoek de volgende woorden op in het woordenboek. Je schrijft het artikel (de of het) op en je geeft het meervoud. Heb je alle woorden opgezocht? Vergelijk je antwoorden met die van een collega. Kijk ook naar de correctie op blad 5.

1. ...het ....... woordenboek

- woordenboeken

2. ................ informatie

- .................................................................

3. ................ uitnodiging

- .................................................................

4. ................ inschrijving

- .................................................................

5. ................ lokaal

- .................................................................

6. ................ agenda

- .................................................................

7. ................ probleem

- .................................................................

8. ................ universiteit

- .................................................................

9. ................ cursus

- .................................................................

10. ................ structuur

- .................................................................

11. ................ oefening

- .................................................................

www.nt2-beginnersdoelen.org/doos_op_rollen/

OPZOEKEN IN HET WOORDENBOEK (2) lezen - 1.1, student

Taak – blad 4 Het eerste deel van de volgende oefening doe je individueel. Neem je cursus of boek of papieren uit de les. Bij minimaal 5 woorden zoek je in het woordenboek of het “de” of “het” is. Je kiest zelf bij welke woorden. Is iedereen in je groepje klaar? Doe dan een ‘de of het quiz’! Je leest je 5 woorden ZONDER artikel. Je collega’s zeggen of het een de-woord is of een het-woord. Daarna zeg je het correcte antwoord.

De of het? 5 woorden uit je cursus: 1. ............................................................................. 2. ............................................................................. 3. ............................................................................. 4. ............................................................................. 5. .............................................................................

Wie is de winnaar van de quiz? Wie weet er het best of de woorden ‘de’ of ‘het’ zijn?

www.nt2-beginnersdoelen.org/doos_op_rollen/

OPZOEKEN IN HET WOORDENBOEK (2) lezen - 1.1, student